Joost van den Vondel

Joost van den Vondel werd geboren in 1587 in Keulen in een familie van ambachtslieden. Zijn familie , oorspronkelijk afkomstig uit Antwerpen, was op de vlucht geslagen voor religieus geweld. Joost van den Vondel, prins der dichters en een van de aartsvaders van de Nederlandse literatuur, was een vluchteling.

religieuze vervolging

Vondels vader was uit Antwerpen gevlucht. Joost senior had zich nadat Katholieke Spaanse legereenheden zich schuldig had gemaakt aan verschrikkelijke oorlogsmisdaden in Antwerpen, gekeerd tot de Doopsgezinde geloofsrichting. Deze geloofsrichting stond aan voortdurende vervolging bloot en Vondels vader nam de wijk naar Keulen; waar het klimaat gunstiger was.

In Keulen trouwde Vondels vader met een andere Antwerpse vluchteling: Sara Cranen. Sara's familie had veel te lijden gehad onder religieuze dwang: toen ze zes jaar was moest zij meemaken hoe haar eigen moeder hoogzwanger opgesloten werd in de stadsgevangenis. De autoriteiten hadden besloten haar man om zijn geloofsovertuigingen te vervolgen - en levend te verbranden. Ze sloten haar op als gijzelaar. Dankzij heel zorgvuldige diplomatie (waarschijnlijk aangevuld met wat steekpenningen hier en daar) werd Sara's moeder uiteindelijk vrij gelaten en wist het gezin naar Keulen te ontkomen, waar Sara opgroeide en de weduwnaar van den Vondel (senior) trouwde en twee kinderen kreeg, Clementia (vernoemd naar Sara's moeder) en Joost. (Calis, p.36 )

Het gezin werd in Keulen maar kort rust gegynd; in toen Joost 8 jaar was werd het gezin uit Keulen verbannen - Doopsgezinden waren na jarenlange systematische repressie na een officiëel besluit niet meer welkom. Twee jaar later schoot het gezin na vele omzwervingen in Amsterdam wortel.

In de Republiek waren weliswaar niet toleranter (Keulen zat vol met gevluchte Katholieken uit de lage landen), maar minder vijandig ten opzichte van Doopsgezinden. Deze werden in Amsterdam met onverholen tegenzin gedoogd. Joosts ouders begonnen aan de Warmoesstraat een handel in zijde, net als wel meer vluchtelingen uit Antwerpen, waar de zijdehandel en -industrie tot de Spaanse wreedheden had gefloreerd.

De handel liep goed en Joost kon in betrekkelijke rust opgroeien, hoewel de familiegeschiedenis hem een hartgrondige afkeer van onrecht en religieuze repressie heeft gegeven. Een afkeer die hem Vondel later zelf nog flink in de problemen heeft gebracht.

rederijkers

Rederijkerskamers waren verenigingen waar intellectuelen elkaar troffen, discussieerden en voorlazen uit elkaars werk. Aangezien er geen beroeps-intellectuelen bestonden waren dit allemaal amateur-schrijvers en -dichters. Omdat ze ook weer niet zó intellectueel waren mochten alleen mannen lid worden. En aangezien alleen mensen die het financieel voor elkaar hebben zich dit soort tijdrovende hobby's kunnen veroorloven, was lidmaatschap voorbehouden aan welvarende mannen.

Gelukkig voor Vondel tikte hij al deze vereisten aan, en kon hij lid worden van een rederijkerskamer: Het Wit Lavendel. Van deze vereniging waren wel meer vluchtelingen uit Vlaanderen en wederdopers lid.

Een netwerk van lotgenoten is van vitaal belang, zeker voor mensen die om wat voor reden dan ook buiten de dominante subcultuur vallen. Bovendien moeten schrijvers en denkers van elkaar leren; zowel door imitatie als door kritiek. Vondel stortte zich met groot enthousiasme in dit verenigingsleven.

Piet Calis: Vondel: Het Verhaal Van Zijn Leven (1587-1679). 1ste ed., J.M. Meulenhoff, 2008.